writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

Het Bestaan in al zijn Eenvoud (15)

door koyaanisqatsi

Abel Bocoum begreep er niets van. Ondanks zijn gewetensbezwaren had hij het beste van zichzelf gegeven. Hij had het verdriet van het meisje, dat op het einde dreigde over te hellen naar hysterie, net zo koppig als de voltallige bruidsstoet genegeerd, en toch werd hij niet gevraagd om zich bij de feestvierders te voegen.
Was de familie zo weinig welgesteld, dat ze zich dit extraatje niet kon veroorloven? Zo zag het er toch niet naar uit, want zijn fooi was behoorlijk hoger dan wat hij de dag voordien bijeen had gescharreld en bovendien zagen deze mensen er duidelijk bemiddeld uit.
Maar het was nu eenmaal zo. Een man met een dunne grijze, verzorgd getrimde snor, had hem enkele verfrommelde bankbiljetten toegestopt en fluisterend bedankt, waarna hij teken had gegeven dat de stoet weer moest vertrekken. De tamboerijnen en schalmeien hadden meteen daarna opnieuw de atmosfeer gevuld en nog voor de laatste feestganger zijn kartonnen doos was gepasseerd leek had het er alle schijn van dat iedereen Bocoum alweer was vergeten.
Het geld, dat in zijn handpalm rustte als een hoopje verdorde bladeren, schonk nauwelijks enige troost.
Was het dan toch stom toeval, dat er voor het eerst sinds hij zijn intrek langs de rivieroever had genomen, een bruidsstoet lang deze weg passeerde? Achteraf bekeken, kon het bijna niet anders, want zo snel had zijn naam toch niet de ronde kunnen doen?
Bocoum probeerde de ontgoocheling van zich af te zetten door dit laatste voor waar te accepteren en zijn gedachten opnieuw op zijn dringende taak te richten, namelijk het raadplegen van de Regelaar. Hij borg zijn lakschoenen, hemd en maatpak weer op in zijn koffer, trok zijn sjofele kleren aan en vertrok terwijl er steeds meer van overtuigd geraakte dat hij te ongeduldig was geweest.
De Regelaar woonde in een wijk die een dubbelzinnige reputatie had. Aan de ene kant noemde men het een buurt van welgestelden, aan de andere kant werd er misprijzend naar verwezen omdat de wijze waarop de meeste residenten hun fortuin hadden vergaard niet meteen lovenswaardig was.
Regelaars, ritselaars, oplichters, pooiers, helers en smokkelaar, werden ze in één adem genoemd en men moest inderdaad ver zoeken om er een bewoner aan te treffen die niet op één van deze manieren aan de kost kwam.
Toch droomden talloze stadsbewoners van een huis in deze wijk, ook al was het maar omdat het één van de veiligste van de stad was. De bewoners hadden een eigen privé-legertje opgericht, bestaande uit een zootje slampampers, aangevoerd en in het gareel gehouden door enkele getrainde vechtjassen, wat ruimschoots volstond om straatschuimers en inbrekers aan te raden andere werkterreinen op te zoeken. Het gemeentebestuur en de top van de politie was er niet gelukkig mee, maar aangezien het van de buurt een kopzorg minder maakte werd het oogluikend toegelaten, al was het nog maar de vraag of er wel iets tegen in te brengen viel, vermits het legertje als wettelijk erkende, privé-bewakingsdienst was geregistreerd.
Bocoum nam zich voor de hele weg te voet af te leggen; geen sinecure, want daarvoor moest hij zowat letterlijk de ganse stad doorkruisen. De Regelaar woonde aan de andere kant van de stad, waar deze begrensd werd door de spoorwegen die in een boog rond de stad liepen alsof ze haar wilden mijden als de pest. Tussen de spoorwegen en de veelbesproken buurt lag een park, zodanig verwaarloosd dat het veel weg had van een bos. Het werd gefrequenteerd door randfiguren en verslaafden aan vanalles en nog wat, die uiteenlopende soorten diensten aanboden in ruil voor geld, verslavende troep of, in de meest penibele gevallen, een homp brood. Ooit had het park zijn eigen burgemeester gehad, een met drie vrouwen gehuwde, misantropische figuur die zichzelf Sheldon noemde en die zich beriep op een goddelijke roeping om het morele verval in het park tegen te gaan. Bizar genoeg getuigden de praktijken waarmee hij zijn volgelingen de plak over het park liet zwaaien van een ongemene goddeloosheid en het was dan ook geen wonder dat het door de repressie getormenteerde janhagel zich op een dag, voor één keer, verenigde en tijdens een regelrechte opstand Sheldons troepen genadeloos over de kling joeg. Van Sheldon zelf was na dit debacle, waarbij enkele doden en tientallen gewonden vielen, geen spoor meer te bekennen.
Het was met deze historische anekdote in het achterhoofd dat de bewoners van de aangrenzende buurt hun privé-legertje niet op het park afstuurden. Ze lieten betijen, zolang de nietsnutten die er rond hingen het niet waagden een voet in hun gebied te zetten. Deden ze dat toch, dan werd er genadeloos met ze afgerekend en werden ze, bij wijze van voorbeeld, geradbraakt aan de ingang van het park tentoongesteld. Een afschrikkingsmiddel met onverdeeld succes.

 

feedback van andere lezers

  • greta
    Met leessprongen aanbeland bij deze laatste, tot nu toe. Die werelden die jij schept in je verhalen zijn heel bijzonder.
    koyaanisqatsi: Ach, voor mij verschillen ze niet zo veel van diegene waarin ik ronddool, moet ik bekennen... ;-)
  • joplin
    geordend moet het zijn
    eender tot welke stam je hoort
    xx
    koyaanisqatsi: xx
Er zijn 3 bezoekers online, waarvan 0 leden: .