writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

Verhaal geschreven door een Aap (59)

door koyaanisqatsi

Jean Godecharles was geboren in Orléans in het jaar des heren 1735. Met onregelmatige afwisseling zou hij het leven slijten van een matroos, vechtersbaas, zuipschuit, hoerenloper, pooier, bonthandelaar, soldaat, leegloper, dief, huurmoordenaar en bedelaar.
Op de vlucht voor een edelman wiens vrouw hij had bezwangerd, monsterde hij in het jaar des heren 1755 aan op een schip dat koers zette naar Noord-Amerika. Hij was twintig, opgegroeid in een familie van alcoholisten en sletten, impulsief maar ook geslepen en vastberaden het in de Nieuwe Wereld te gaan maken.
Daar zag het aanvankelijk nochtans niet naar uit. Na tal van omzwervingen vond hij werk als manusje-van-alles in een Franse nederzetting nabij Quebec, waar hij binnen de kortste keren een reputatie had opgebouwd van vrouwenversierder, dronkenlap en knokker. Na verloop van tijd zag hij zich dan ook genoodzaakt het opnieuw op een lopen te zetten -ditmaal had hij de zeventienjarige dochter van een vooraanstaand lid van de gemeenschap bevrucht- om neer te strijken in een andere nederzetting, in de buurt van Montréal, waar hij aan de slag ging als hulpje van een bonthandelaar.
Godecharles had algauw begrepen dat er een fortuin te verdienen viel met bont en gedroeg zich voor korte tijd als een voorbeeldig handlanger. Helaas nam zijn libido na enkele weken opnieuw de overhand en toen hij door de bonthandelaar betrapt werd met diens vrouw kon hij alweer in zijn boeltje pakken.
Na een ware calvarie van ruim een jaar nam hij, de wanhoop nabij, dienst in het Franse leger. In Europa was ondertussen de Zevenjarige Oorlog uitgebroken terwijl de Fransen en de Britten in Noord-Amerika steeds feller om de knikkers begonnen te bikkelen.
Godecharles maakte menig gewapend conflict mee maar was al enige maanden gedeserteerd toen de Fransen in het jaar des Heren 1759 definitief werden verslagen bij de Slag om Quebec. Hij had een tijd bij de Algonkins doorgebracht, nadien een korte periode bij de Huronen verbleven, maar had omwille van hun bondgenootschappen met het Franse leger telkens het hazenpad moeten kiezen.
Toen de oorlog in het voordeel van de Britten was beslecht kon hij zich weer op iets anders gaan focussen dan louter overleven en besloot hij een bordeel uit te baten langs een veelgebruikte route aan de kust. De migranten uit Europa bleven immers toestromen en aangezien zij voor het merendeel uit leden van het mannelijk geslacht bestonden was het verhuren van vrouwenvlees een uiterst lucratieve zaak.
Hij rekruteerde zijn 'personeel' onder vrouwen die geen kant maar op konden en kende daarbij weinig scrupules. Indiaanse weduwen van Europeanen, weggelopen slavinnen, oorlogswezen, het maakte niet uit, wie een man aan zijn trekken kon doen komen, was welkom.
Rekening houdend met zijn gewelddadige karakter was hij beslist niet slecht voor zijn hoeren maar iedere medische zorg voor hen was hem vreemd en hij zat dan ook al gauw met een heuse bende draagsters van venerische ziekten opgescheept.
Die ellende bezorgde hem te veel kopzorgen. Op een dag verdween hij met de noorderzon om elders, hogerop, een zoveelste nieuw leven te beginnen. Hij startte een eigen handel in bont maar liet zich zodanig rollen door enkele bedrieglijke pelsjagers dat hij binnen de kortste keren bankroet was en een tijdlang moest leven van bedelen en stelen.
Uiteindelijk zakte hij zo diep dat hij zich door een jonge vrouw liet betalen om haar oude, rijke echtgenoot af te maken. Met het bloedgeld trok hij verder landinwaarts, de huidige provincie Ontario in, om opnieuw een handel in bont op te starten. Gebruik makend van de ervaringen van zijn eerste, faliekant uitgedraaide onderneming lukte het hem dit keer wel succes te hebben, en als de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog in het jaar des Heren 1775 niet gevaarlijk dichtbij was gekomen, was Godecharles hoogstwaarschijnlijk voor de rest van zijn leven in Amerika gebleven. Nu was hij, op zijn veertigste, alle geweld en wapengekletter kotsbeu. Hij verkocht zijn handel aan een arrogante Brit en keerde terug naar Frankrijk waar het ondertussen helaas al zodanig was beginnen rommelen dat men maar moeilijk van een vreedzame atmosfeer kon spreken.
Godecharles wachtte niet tot de bom barstte en verhuisde naar Zweden waar hij zijn kennis van pelsen aanwendde om opnieuw een bloeiende handel op te zetten.
In het jaar des Heren 1780 huwde hij de dochter van een belangrijke zakenpartner, de negentienjarige Anna Holmqvist. Hoewel het vlasblonde meisje van een oogverblindende schoonheid was slaagde Godecharles er niet in zijn leven van rokkenjager af te zweren. Binnen het jaar na hun huwelijk had hij al verhoudingen met drie gehuwde vrouwen en bezocht hij om de haverklap een zekere Birgit Gudjonsdottir, een IJslandse die hij zijn absolute lievelingshoer noemde.
Anna Holmqvist bleef het bedrog van haar man niet met lede ogen aanzien en begon op haar beurt een verhouding met Noorse koopman en een Franse officier die aan de Franse ambassade verbonden was. Toen Godecharles dit ter ore kwam liet hij zich prompt van Anna scheiden om, hoe waanzinnig het ook klonk, meteen daarna met haar twee jaar jongere zuster, Astrid, te trouwen.
Astrid leek zich weinig aan te trekken van de romantische escapades van haar voormalige schoonbroer, schonk hem twee kinderen en leefde het leven een voorbeeldige huismoeder. Op het eerste zicht althans, want in wezen was zij een verstokte lesbienne die afwisselend haar bed deelde met een oude jeugdvriendin en een buurvrouw -later zou daar ook nog één van de kindermeisjes van de kinderen bijkomen.
Godecharles zou zowel zijn ex-vrouw als Astrid overleven. Anna stierf in het jaar des Heren 1810 aan een longontstekeing, Astrid een jaar later aan tuberculose.
Nadat Napoleon in het jaar des Heren 1815 voorgoed verslagen was keerde de weduwnaar voor een tweede maal terug naar zijn geboorteland. Zijn kinderen, twee lastpakken die weinig meer deden dan op de kosten van hun vader leven, bleven in Zweden.
Godecharles leed ondertussen aan jicht en ook de ontberingen die hij tijdens zijn jaren in Amerika had doorstaan, begonnen met terugwerkende kracht hun tol te eisen. In de maand van zijn tachtigste verjaardag werd hij getroffen door twee beroertes en sindsdien was hij zo goed als verlamd.
Hij nam een inwonende verpleegster in dienst die er na een tijd met het grootste deel van zijn geld van doorging, waardoor hij zich verplicht zag zijn huis in het centrum van Parijs te verkopen en naar een kleine kamer in een verpauperde buurt te verhuizen. Daar wachtte hij al enkele jaren zijn dood af, overgeleverd aan de genade van zijn hospita, een dertigjarige weduwe die hem van het hoogstnodige voorzag en die hij, naarmate zijn einde naderde, steeds meer als een echte engel begon te beschouwen.
Het was deze Jean Godecharles die Mehmed en Nazir de volgende dag een bezoek zouden brengen.

 

feedback van andere lezers

  • greta
    Oh.. in het begin dacht ik, dit kan ik niet meer volgen. Maar de aansluiting is me duidelijk nu.
    Waar háál je het weer....
    :)
    koyaanisqatsi: uit m'n veel te grote kop... (?) ;-)
  • Wee
    Tóp!
    x
    koyaanisqatsi: we blijven proberen... ;-) xx
  • joplin
    xx
    koyaanisqatsi: xx
Enkel ingeschreven gebruikers kunnen stemmen.

Totale score: 9

Uitstekend: 4 stem(men), 80%
Goed: 1 stem(men), 20%
Niet goed: 0 stem(men), 0%

totaal 5 stem(men)
Er zijn 3 bezoekers online, waarvan 0 leden: .