writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

WACHT MAAR, TOT GOD ONS HOORT (6)

door koyaanisqatsi

6. OSAS

'Nee, zo erg is het beslist niet,' lachte Oganesian; geforceerd, omdat hij zich stilaan in een zoutpilaar voelde veranderen.
Maar het moet gezegd: niemand kon de vrouw, die Osas heette, weerstaan. Eigenlijk was ze ook geen vrouw; ze was... een onbeschrijfelijkheid. Haar lijfwachten hielden steeds hun rug naar haar gekeerd, kwestie van de verleiding geen enkele kans te geven. En het viel na enige tijd wel op: niemand van de aanwezigen gunde haar een blik. Uit schrik misschien? Mwamba Kazadi durfde Oganasian in ieder geval niet eens waarschuwen. Waarvoor moest hij hem trouwens waarschuwen? Er was geen enkel bewijs dat Osas een heks was, van de soort die zich schuilhield in het oerwoud, maar het stond buiten kijf dat ze iemands ziel kon binnendringen en ermee aanvangen wat ze wou.
Stefan Oganesians gedachten kwamen in een stroomversnelling terecht. Zijn huwelijk zou eraan moeten geloven. Zijn vrouw kon naar haar broer, die in het zuiden van het land over een tiental hectaren grond beschikte, of terug naar Armeni, al had ze daar nog nooit een voet gezet. En de kinderen? Ja, die wilde hij alle vier wel bij zich houden; die zouden het land toch niet uit willen; ze hadden per slot van rekening een koningsleven in de Derde Afrikaanse Republiek. En verder... Vanzelfsprekend zou een vrouw als Osas geen genoegen nemen met een restaurantuitbater als man. Het werd dus hoog tijd dat hij de maatschappelijke ladder opklom. Dr moest hij maar eens werk van maken. Het restaurant kreeg genoeg volk over de vloer dat hem in hogere kringen kon introduceren. Verstandige adviseurs kon het land altijd gebruiken. En hij was tenslotte niet niks. Hij was begonnen met een onnozel eethuisje voor internationale hulpverleners en schraperige oorlogcorrespondenten -mensen die de rumoerige buurlanden even achter zich wilden laten-, en nu stond er een heuse Franse chef in de keuken; weliswaar van Libanese afkomst, maar toch... een Franse chef. Zo'n prestatie bewerkstelligde je niet alleen dankzij hard labeur, daar kwamen nog heel wat andere, vooral intellectuele vaardigheden bij kijken.
'En wat mag u hier brengen?' vroeg Osas. De spatjes lipstick die ze zonder erg in Oganesians gezicht spuwde, voelden aan als microscopische speldeprikjes.
'Zaken,' antwoordde Oganesian zo luchtig mogelijk -een echte kei in de zakenwereld deed immers nooit zwaarwichtig, zag "business" als een spelletje.
'Wie niet?' glimlachte Osas. Ze leek te beseffen lipstick te spugen en begon haar lippen zo onmerkbaar mogelijk over mekaar heen en weer te wrijven.
Kubrick kwam, op de vlucht voor andere lijfwachten, voorbijgestormd. De panden van Osas' gecompliceerde kleed begonnen te wapperen alsof een rukwind het gebouw binnenwaaide. Daarbij ontsnapte een scherp parfum, een parfum dat Oganesian nooit eerder had opgesnoven. De geur wekte een tomeloze, dierlijke geladenheid in hem op. Als het had gemogen, zou hij Osas ter plaatse als een bronstige leeuw hebben besprongen, gedekt en zwanger gemaakt.
Osas schudde het hoofd en zei: 'Die arme Kubrick. Wist u dat hij een mislukte kunstenaar is? Hij was nochtans gedreven. Hij heeft zelfs zijn meisje aan een bosgeest gegeven. Die had hem in ruil erkenning beloofd, en de arme man was er nog ingetrapt ook. Ach... Erkenning valt uit de hemel, is geen slang die je in het bos gaat vangen of een insect dat je vanonder een steen haalt. Het meisje is natuurlijk gek geworden. Na een paar dagen aan de gratie van de bosgeest te zijn overgeleverd, stond ze eensklaps terug in de stad. Blootvoets, gekleed in lompen, die achteraf een aan flarden gescheurde bruidsjurk bleek te zijn. Ze loopt nu in hemd en short en draagt een lange wollen sjaal om haar nek, waarmee ze het stof van de schoenen van passanten veegt. Sommige mensen stoppen haar dan iets toe, niet uit dankbaarheid, maar als offer aan god, die ze smeken het zielige schepsel hun pad niet meer te laten kruisen. Ze wordt spottend wel eens de enige normale blanke genoemd, maar het is alleen maar triest; ze was een bloem; ze had een echte Afrikaanse kunnen worden, als Kubricks ambitie haar niet verknoeid had.'
'Deze vrouw praat te gedreven over dit soort zaken om echt te zijn,' dacht Mwamba Kazadi. 'Je ziet in haar ogen dat het lot van dat arme meisje haar geen barst interesseert; zoals niets haar interesseert; tenzij macht natuurlijk.'
Oganesian was een andere mening toegedaan. Hij wist dat hij verloren was, maar vroeg of laat kwam iedere man nu eenmaal die vrouw tegen die een zodanige hartstocht in hem opwekte dat hij zich volkomen bewust in zijn ongeluk stortte.
'Weet u,' begon hij, 'ik ben hier helemaal niet naar toe gekomen om zaken te doen. Ik zoek ruimte voor het opstellen van een tent.'
Osas keek hem diep in de ogen en begon te lachen.
'Waar u zich mee bezighoudt,' zei ze met speelse minachting. 'Denkt u dat er ook maar n vrouw warm loopt voor een man die daarnaar op zoek is?'
'Ik kan altijd naar iets anders op zoek gaan,' zei Oganesian.
'Dat zou ik dan maar doen, als ik u was,' glimlachte Osas. Ze trok haar wenkbrauwen een paar keer op en blies een zoete zucht in Oganesians gelaat. 'Maar hoe u het draait of keert, uw gids is verstandiger dan u.'
Oganesians lijf werd door jaloezie in tween gespleten. Hij keerde zich om naar Mwamba Kazadi, om hem met een blik vol haat dood te schieten, maar de gids was weg. Toen pas begreep hij de ware betekenis van Osas' opmerking. Mwamba Kazadi had allang begrepen dat Oganesian het voor bekeken zou houden en was vertrokken, op zoek naar een nieuwe vervanger voor Emil Klainenduvel. Bij de uitgang had hij een vertrouwelijk ogende blanke aangesproken, maar die was niet genteresseerd. De man wilde slechts sterke verhalen horen, zoals dat ene verhaal, dat hij had gehoord toen hij op doorreis was in de Vrijheidsstaat. Hij moest en zou Mwamba Kazadi op het verhaal trakteren, ook al benadrukte deze dat hij kostbare tijd stond te verliezen.
'We hebben in Afrika al te veel tijd verspild, meneer,' argumenteerde de beproefde gids, maar tegen het opdringerige karakter van de man was geen kruid gewassen.
'Moet ik misschien beginnen schreeuwen dat u een zakenroller bent?' begon de kerel te dreigen, en dus luisterde Mwamba Kazadi maar.
'In een dorpje werd een dief betrapt tijdens het stelen van een stel kippen. De woedende dorpelingen wilden de man meteen in brand steken, maar de dorpsoudste was van oordeel dat het maar eens moest gedaan zijn met die wrede gewoonte. Hij stuurde zijn jongste zoon met de enige fiets uit het dorp naar de dichtstbijzijnde politiepost om te vragen wat er met de dief moest gebeuren.
"Wat hebben jullie met de vorige gedaan?" vroeg de dienstdoende agent, hoewel hij het antwoord op de vraag al kende.
"In brand gestoken," antwoordde de zoon.
"Precies! Doe dat dan opnieuw," zei de agent daarop, "wij hebben geen tijd om die kerel te komen halen."
Osas liet haar kleed wapperen, schudde haar vlechten dooreen en zei tegen Oganesian: 'Ik vertrek.'
Het vervolg was vanzelfsprekend. Oganesian ging haar achterna, volgde haar als een gedwee schaap; of nee, sterker nog: als een betoverde geit. Hij verwachtte dat ze hem zou meetronen naar n van de vorstelijke paleizen waar de nieuwe rijken zich na het ondergaan van de zon in verschansten, maar hij eindigde in de goorste sloppenwijk van de stad. Een wijk waar kinderen in rioolwater doken om onvindbare kostbaarheden te zoeken; in theorie welteverstaan, want in werkelijkheid wilden ze alleen maar hun miserabel leven verkorten. Een wijk waar een nuchtere man even zeldzaam was als een niet mishandelde vrouw; een wijk waar n maaltijd per dag een gelukzaligheid was en het drinken van iets anders dan zelf gebrouwen bier en in plastieken kuipen opgevangen regenwater een festijn. Dr, en nergens anders woonde Osas; in een doodlopende steeg, tussen golfplaten, samen met haar noogige moeder, haar verlamde jongere broertje en haar stervende grootvader.
"Maar dit alles is gelogen," dacht Oganesian toen hij aan tafel bijschoof om een kommetje droge rijst te helpen verorberen. "Je moet mij de Afrikanen niet leren kennen. Ze overdrijven, zelfs wanneer ze verrekken van de honger."
'Waar kan ik hier telefoneren?' vroeg hij.
'Waar denkt u hier te kunnen telefoneren?' vroeg Osas.
'Ik moet m'n vrouw verwittigen,' antwoordde Oganesian naast de kwestie. 'Ze moet weten dat ze niet meer op me hoeft te rekenen.'
'Wie kan dan wel op u rekenen?' vroeg Osas.
Hoewel Oganesian begon te grinniken, werd hij nattigheid gewaar. "Wat een onnozele vraag," dacht hij, maar terzelfdertijd besefte hij dat hij veel eerder dan verwacht de rekening gepresenteerd kreeg.
'Vervloekt!' riep hij, en sloeg een vuist op tafel. 'Ik heb je niet eens gehad!'
Voor de ingang van het krot had zich een legertje nieuwsgierigen verzameld. Het begon Oganesian te dagen dat het een mirakel zou zijn om heelhuids uit deze wijk te geraken. In feite was het simpelweg onmogelijk.
'Denkt u soms dat de mensen u aan stukken zullen scheuren?'
Oganesian was niet verbaasd dat Osas zijn gedachten kon lezen. 'Ze heeft me nu eenmaal totaal in haar macht,' mompelde hij als een demente. Hij begon plannen te smeden om zijn leven voort te zetten in de wijk zelf. 'Ik kan altijd schrijnwerker worden,' dacht hij, 'of klusjesman. Tegelijkertijd graaf ik 's nachts een tunnel, die me binnen enkele maanden opnieuw naar de vrijheid zal leiden.'
'De ondergrond hier is slap als pudding,' zei Osas. 'Zet die tunnel maar uit uw hoofd.'
Oganesian wierp een bestuderend oog op haar familieleden.
'Wat een zielige wezens,' fluisterde hij, te luid om onverstaanbaar te blijven.
Osas' broertje begon met wanhopige ogen in het rond te kijken; de stervende grootvader liet dikke, geelachtige tranen over zijn ingezakte wangen rollen; haar moeder trok zich in stilte terug op een krakkemikkige stoel in de donkerste hoek van het vertrek.
Stof kwam binnenwaaien en maakte Oganesians mond kurkdroog. Osas stak een lepel pikante pepers naar hem uit, maar hij weigerde.
'Meer valt er niet meer te eten,' zei Osas.
'Dan sterf ik maar van de honger,' zei Oganesian met valse onbewogenheid.
De nieuwsgierigen dropen af en werden vervangen door andere nieuwsgierigen, die op hun beurt plaats ruimden voor nog meer nieuwsgierigen.
'Ik zou moeten tellen hoeveel inwoners deze wijk telt,' dacht Oganesian. Hij was over zijn eerste schrik heen en durfde het nu aan onverstoord blikken met de kijklustigen uit te wisselen.
Osas stond op, haalde een groot plastieken bad vanonder een tentzeil en vroeg Oganesian: 'Zou u dit kunnen vullen met water? Ik wil een bad nemen.'
'Water? Waar moet ik dat vandaan halen?' vroeg Oganesian op zijn beurt.
Osas glimlachte zelfvoldaan om de ingeloste verwachting; Oganesian moest zijn plan trekken. Ze draaide van hem weg en boog zich ontfermend over haar broertje. Oganesian kwam overeind, wilde naar buiten gaan om water te zoeken maar werd opnieuw door angst voor de wijkbewoners bevangen en ging weer zitten.

 

feedback van andere lezers

  • vansion

    tentjes willen opzetten en zo - meer dan spijt om de verloren tijd
    je bent me het schrijverke wel h ...

    je ogen zijn duidelijk onteuropeesd hoor an-dersglobaal gezien dan ...

    weet je wat? ik placeer mij als luis in je verhaal ergens aan de wand en wacht ... en rol jouw zaken en nooit meer mijn matjes op

    eeuwig grinnikend tot natuurlijk God ons hoort
    koyaanisqatsi: thnks
  • ivo
    Afrika doorheen Europese ogen, het is altijd wennen
    koyaanisqatsi: niet te europees, hoop ik...
  • RolandBergeys
    Heel boeiend, ik kijk uit naar het vervolg. Schrijnend, en toch op sommige plaatsen grappig geschreven. Die spatjes lipstick bvb waren heel leuk.
    koyaanisqatsi: maar wel wat plakkerig...

    thnks Rlnd
Er zijn 5 bezoekers online, waarvan 0 leden: .