writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

WACHT MAAR, TOT GOD ONS HOORT (11)

door koyaanisqatsi

11. DE WERELD IS EEN GROOT ZIEKENHUIS (WEERZIEN MET DE ECHTE BOBA LOBILO)

De doordringende geur van een overdreven aanwenden van ontsmettingsmiddelen maakte me wakker. Rechtover mij lag een oude, verschrompelde man naar het plafond te staren. Ik draaide mijn hoofd naar rechts en kwam oog in oog te liggen met een man van mijn leeftijd. Tevergeefs trachtte hij met een slap wuivende hand een gapende hoofdwonde tegen een horde vraatzuchtige vliegen te beschermen. Ik probeerde mijn hoofd naar de andere kant te draaien, maar dat ging niet. Overal voelde ik een brandende pijn, alsof mijn hele lichaam onder de schaafwonden zat. Aan het uiteinde van mijn bed hing een stuk karton aan een touwtje.
'Naam onbekend, nationaliteit idem, leeftijd: middelbaar,' stond er in een slordig handschrift gekrast.
Mijn ogen registreerden datgene wat verwacht kon worden: in het westen afgedankte, roestige hospitaalbedden, kapotte ramen en deuren, schamele verlichting, stinkende wonden, door de realiteit geharde verpleegsters, machteloze bezoekers, zieltogende patiënten. Wat een contrast met de futuristische luchthaven, die mijn pessimistische verwachtingen bij mijn aankomst in de Derde Afrikaanse Republiek van tafel had geveegd. Maar ja, luchthavens waren nu eenmaal belangrijker voor de economische ontwikkeling van een land dan ziekenhuizen.
Ik probeerde de aandacht te trekken van een verpleegster die even verderop, aan de overkant van de zaal, een bed verschoonde. Haar pikzwarte ogen kregen me in de gaten maar ze liet niets blijken en werkte naarstig verder. Ze legde een zodanig opvallende nauwkeurigheid aan de dag dat ik haar ervan begon te verdenken opzettelijk te lanterfanten. Keer op keer bleef ze de lakens gladstrijken en de onder de matras geplooide hoeken hervouwen. Werk voor niets, want nog terwijl ze onverdroten bezig bleef, brachten twee ambulanciers een in lakens gehuld lichaam binnen om het meteen op het bed te leggen.
'Kan je het geloven,' zei één van de mannen tegen de verpleegster, 'deze vrouw leefde samen met een gorilla. Volgens de dorpelingen die haar gevangen namen, bedreef ze er zelfs schaamteloos de liefde mee.'
Toen de verpleegster de lakens wegnam herkende ik tot mijn grote ontsteltenis Emma Penning. Ze was helemaal naakt, leek in een diepe slaap verzonken en zat bedolven onder dikke laag grijs stof die de meest intieme delen van haar knokige lichaam min of meer aan het oog onttrokken hield.
'Dat kan niet, wat u daar zegt!' riep ik, 'ik heb nog maar pas met die vrouw gevochten!'
De ambulanciers draaiden zich om, lieten hun witte jassen met de grootst denkbare onverschilligheid op de grond glijden en kwamen op me toegestapt. De verpleegster raapte de jassen op, kwam hen achterna en verklaarde de dreigende blikken waarmee beide mannen me doorboorden als volgt: 'Deze heren zijn als ambulanciers vermomde speurders. U zal dan ook wel begrijpen dat hetgeen u zojuist kwam te zeggen een zware beschuldiging aan hun adres inhoudt. U noemt hen in feite ronduit: leugenaars!'
Ik luisterde maar half, want Emma Penning had van zodra het drietal zich tot mij had gewend de ogen geopend en sloop nu, kronkelend als een gewonde slang, over de grond naar de uitgang van de ziekenzaal. De glimlach op haar lippen drukte een immens innerlijk vreugdegevoel van bevrijding na eeuwenlange verknechting uit.
Helaas voor haar, was mijn afgeleide aandacht de vermeende ambulanciers niet ontgaan. Ze beseften wat er achter hun rug aan de hand was, gingen haar achterna, trokken haar bij de voeten terug tot bij het bed en bonden haar ditmaal met hun door de verpleegster aangereikte witte jassen vast aan de achterste bedsponnen.
'Ik zweer u, dat ik niet lieg,' zei ik tegen de verpleegster.
'Ik heb niet gezegd dat u liegt,' antwoordde ze, 'maar u hebt duidelijk laten uitschijnen dat de speurders liegen. En weet u wat het bizarre van de hele zaak is? Dat er tot nu toe maar één ding vaststaat, en dat is: dat ik heb gelogen. Want de speurders zijn helemaal geen speurders, maar gewoon ambulanciers; die hun werk doen.'
'Waarom zei u dan zo iets tegen mij?' vroeg ik.
'Omdat u anders nooit onder de indruk zou zijn geweest,' antwoordde de verpleegster met een sombere ernst, waarna ze, heupwiegend dansend op de tonen van uit de verte klinkende muziek, de ziekenzaal verliet.
De ambulanciers tilden me van bed en legden me voor de voeten van Emma Penning neer.
'Wij zijn niet van plan met u in discussie te treden,' zei één van hen, 'deze vrouw moet het verhaal maar doen. Trouwens, u verkoopt flauwekul. U bevindt zich al een week in het hospitaal, dus kan u maar moeilijk nog maar pas met haar gevochten hebben.'
De ambulanciers vertrokken. Ze lieten me hulpeloos achter op de harde vloer waar mijn gewrichten zich een weg doorheen mijn huid begonnen te bijten. Ik vervloekte de kapitein van het schip, die me blijkbaar van het ene stel beulen had bevrijd om me over te leveren aan het andere. Emma Penning leek me niet te herkennen. Ze keek me uitdrukkingsloos aan en liet haar verslagenheid blijken door te zuchten: 'Opnieuw gevangen.'
'Herkent u me niet?' vroeg ik.
'Opnieuw gevangen!' herhaalde ze.
'Zij zal u niet veel wijzer maken,' klonk het plots vanachter mijn rug.
Het was Boba Lobilo, die in het bed naast de man met de gapende hoofdwonde lag. Ik herkende hem uit het verhaal dat ik bezig was te vertellen toen ik in een gevecht met Emma Penning betrokken geraakte en rampspoed als een onhoudbare vloedgolf over me heen ging rollen
Dit was een godsgeschenk. Nu Boba Lobilo weer terecht was, kon het verhaal opnieuw verdergaan zonder dat ik er een lijdende rol in hoefde te spelen. Met mijn laatste krachten sleepte ik me tot bij zijn bed en vroeg hoe hij in het ziekenhuis was beland.
'Op een nacht liep ik piekerend over een probleem dat ik me door mijn eigen stommiteit op de hals had gehaald door de donkere straten van mijn wijk. Op zeker ogenblik, het moet even voor een nieuwe dageraad geweest zijn, werd ik verblind door de koplampen van een limousine. De wagen kwam recht op me af, traag weliswaar maar toch ook snel genoeg om me te verontrusten. Ik stapte snel opzij maar toen de wagen op het punt stond voorbij te rijden zakte één van de raampjes naar beneden en waaide een onweerstaanbaar parfum in mijn richting. Ik werd als het ware naar de limousine toegezogen en werd tegelijkertijd overvallen door een oeverloze zwaarmoedigheid, alsof iemand me zonet had verteld dat mijn probleem zo gecompliceerd in mekaar stak dat enkel de evolutie het kon oplossen.
Plots werd ik door twee mannen in de rug besprongen en in de limousine geduwd. De schrik die me vanzelfsprekend om het hart sloeg, maakte meteen plaats voor een enorme verbazing want binnenin de limousine bevond zich een met geparfumeerd water gevuld zwembad waarin een oogverblindende, ja, ronduit onbeschrijfelijke vrouw rondjes zwom. Mijn overvallers, mannen in legeruniformen, gaven me het bevel me aan de rand van het zwembad neer te zetten en verlieten de limousine. De vrouw kwam op me toegezwommen met een bovenmenselijke souplesse en rees uit het water omhoog als een vogel die naar de hemel steeg. Ze was werkelijk fenomenaal: ongrijpbaar, grenzeloos vruchtbaar, immens. Ze schitterde door de verborgen, ondefinieerbare rijkdom die bezig was zich onder haar huid te ontwikkelen tot een nooit geziene schat en was tegelijkertijd onweerstaanbaar verleidelijk en beangstigend. Ze nodigde uit tot aanraking maar waarschuwde net zozeer voor de onvoorspelbaarheid van de gevolgen van zo'n handeling, glimlachte, leek zowel gelukkig als bedroefd en was zonder twijfel in staat tot de hoogste graad van verdraagzaamheid -ook al was het gevoel dat er ergens in de diepten van haar hart een woede leefde die zich in een oogwenk kon omzetten in een allesvernietigende uitbarsting van geweld, zonder meer tastbaar.
En dan was er nog de geur die ze verspreidde. Een geur die iedere zweem van kunstmatigheid ontbeerde, een geur zo zuiver dat hij onmogelijk van deze wereld kon zijn. Misschien was het wel de geur die heerste over Afrika toen het continent nog ongerept was; ik weet het niet. Ik herinner me nog alleen dat ik de geur wilde omhelzen als een geliefde en koesteren tot het einde van mijn dagen.
De vrouw kwam naast me aan de rand van het zwembad zitten en stak haar benen opnieuw in het water.
"Ik zal u vertellen wat er in het verleden met me is gebeurd, wat er nog dagelijks met me gebeurd en wat er ook morgen nog met me zal gebeuren," zei ze. "Ik leefde mijn leven, gehoorzamend aan de natuur en het beloop der tijden, toen ik overvallen werd door een reus die zowel blind als ziende was. Hij begon met een superieur zwaard op mijn hals en nek in te hakken tot ik na een afgrijselijke doodsstrijd onthoofd neerzeeg. Toen kwam er een andere reus opdagen, minder ruw ogend dan de eerste maar net zo gemeen. Hij duwde zijn lid in mijn onthoofde lichaam en peneteerde me als een wezen dat geen flauw besef had van de betekenis van de geslachtsdaad. Zijn bevruchting stelde niets voor: het zaad dat hij uitstortte was steriel als water en vluchtig als alcohol. Hij schaamde zich niet eens voor zijn misdaad, die niets anders was dan zelfzuchtig geknoei, en riep een derde reus ter hulp die met een ongemene brutaliteit een hakmes in mijn buik plantte. Terwijl de eerste twee reuzen als pafferige koningen toekeken, stak de derde reus zijn hand in de diepe wonde om met een ongeëvenaarde barbaarsheid mijn ingewanden uit mijn lichaam te rukken. Terzelfdertijd verschenen er twee gemaskerde mannen op het toneel. Ze noemden zich geestelijken en begonnen op mijn afgehakte hoofd in te praten; eerst op verzoenende, vervolgens op vermanende en uiteindelijk op gebiedende toon. Nog tijdens dit alles probeerde ik me te herstellen maar terwijl ik tegen mijn door de reuzen veroorzaakte aftakeling vocht, maakte een onafgebroken komen en gaan van nieuwe reuzen en gemaskerde, zogenaamde geestelijken de toestand alleen maar erger."
"Wanneer was dit alles?" vroeg ik, diep geschokt.
"Het is nog steeds bezig," antwoordde de vrouw, "nu, terwijl u naar me zit te luisteren. En morgen zal het niet anders zijn."
Met een stem trillend van woede en onmacht vroeg ik: "Waarom vertelt u mij dit alles? Alleen al het luisteren naar deze vreselijkheden is ondraaglijk!"
"U werd opgemerkt als iemand die zich de zaken aantrekt, als iemand die een zekere, noodzakelijke structuur wil helpen opbouwen. Vandaar…"
Ik geraakte in paniek. In mijn verbeelding zag ik het al voor me: ik zou op mijn beurt gefolterd en vernederd worden door sadisten en nadien overgeleverd worden aan de alles verscheurende kaken van vraatzuchtige, menselijke monsters.
Dit ging mijn krachten te boven. Ik was maar een simpele wijkverantwoordelijke; een prutser met geen enkele officieel toegekende macht, en er zat niets anders op dan het op een lopen te zetten, voor deze kolossaal machtige vrouw me een moordende verantwoordelijkheid in de schoenen schoof.
Ik spurtte naar een deurtje waarboven in rode letters het woord 'EXIT' prijkte en liep de straat op. Daar struikelde ik over een man die lag te sterven. Het wit van zijn uitpuilende ogen was doordrongen van de onomkeerbaarheid van zijn ziekte en het enige dat ik kon bedenken was dat ik gelukkig was niet in zijn plaats te zijn. Ik voelde beslist met hem mee maar werd voortgejaagd door angstvisioenen waarin de onbeschrijfelijke vrouw me als een verlamd kind onder haar arm meezeulde, recht naar haar eigen weerzinwekkende realiteit.
Het onweerstaanbare parfum kwam me achterna en het leedt geen twijfel dat het me spoedig zou inhalen. Ik vluchtte een donkere, rokerige kroeg binnen waar een jong, halfnaakt meisje haar lichaam verhuurde aan de meest biedende van het moment.
"Meestal een dronken zeeman of een volstrekt humorloze ontwikkelingshelper die, gedreven door frustraties en ontgoochelingen, een mislukte poging tot zelfvernietiging onderneemt," vertrouwde haar pooier, die nonchalant met zijn ellebogen op de toog leunde, me toe.
Stropers zaten vanuit een met kaarsen verlicht hoekje toe te kijken hoe het meisje zich inspande om de aandacht te trekken en alsmaar opdringeriger werd omdat een handvol gegadigden bleef aarzelen om met geld over te brug te komen.
Een rastafari bood me cannabis aan, een oude vrouw wilde me per se een kralensnoer verkopen, een verstekeling eiste de naam van het eerstvolgende schip dat koers zou zetten naar Europa. Hij dreigde met geweld en raakte pas van mijn onwetendheid overtuigd toen de barman op zijn beurt dreigde hem op straat te gooien.
Het parfum sloop de kroeg binnen en verjoeg de sigarettenrook als een lichte, door een rukwind omhoog geblazen stofwolk. Iedereen begon zenuwachtig in het rond te kijken, maar niemand durfde de vraag te stellen waar de geur vandaan kwam. Ik vluchtte naar het toilet, een smerig hok vol stront en vliegen, en hoorde hoe de nerveuze stemmen van de kroeglopers zich omzetten in geruzie en angstkreten.
Iemand riep: "Buiten is het oorlog, maar binnen is het ook niet veilig!" Er viel een schot, gevolgd door een gil die alleen van het jonge meisje afkomstig kon zijn. Haar pooier kwam het toilet binnengestrompeld. Hij hield zijn handen voor een groot, bloedend gat in zijn onderbuik; zijn ogen straalden een begrijpelijke maar evenzeer lachwekkende doodsangst uit. Hij viel neer, ik sprong opzij en zag hoe hij zonder enige reactie met zijn gezicht in de uitwerpselen belandde. Ik stapte over hem heen en liep langs een smalle doorgang tussen de kroeg en een aanpalende compound opnieuw de straat op. Een jeep met politieagenten schoot langs me heen en hield halt voor de kroeg. Gewapend met matrakken stormden de ordehandhavers naar binnen. Het geluid van knuppels die neerkwamen op lichamen klonk als een aaneengeregen reeks doffe plofjes, die me deden denken aan de geluiden van stenen die door spelende kinderen in het zand worden gegooid. Er werd geroepen en getierd, het jonge meisje kwam naar buiten gestruikeld. Iemand had haar pruik afgerukt, met haar kortgeschoren haar zag ze er plots veel onschuldiger en zuiverder uit. Ze liep op me toe en wilde me in de armen vallen maar bedacht zich en sloeg een steeg in.
In de verte verscheen de limousine.
"Valt er dan niet aan die vrouw te ontsnappen!" schreeuwde ik en liep het meisje achterna.
De steeg werd opgeslokt door dichte plantengroei en liep uit in een steil bergpad. Het meisje verdween naar nergens, ik liep verder, hoger en hoger, tot de ijle lucht mijn longen had leeggezogen. Toen viel ik uitgeput tussen het struikgewas en dwarrelde er een overtuigde verslagenheid vanuit de hemel op me neer.'
Boba Lobilo keek me aan. Een ontroostbare stilte vulde de ziekenzaal. Een glansspreeuw huppelde langs een vensterbank, draaide zijn kop naar binnen en vloog even later weer weg.
'En toen u wakker werd, lag u hier,' veronderstelde ik.
Boba Lobilo schudde het hoofd, maar bleef zwijgen. Hij krabde zich op de borst, geeuwde, maakte een smakkend geluid en sloot de ogen.
Ik ging ervan uit dat hij te moe was om verder te gaan met zijn verhaal en wilde me terug naar mijn bed slepen maar eensklaps schoot hij wakker en vertelde verder.
'Ik ontwaakte op één van de flanken van het hooggebergte. Beneden zag ik, verspreid over een wijds panorama van groene wouden, rookpluimen opstijgen vanuit diverse dorpen. Boven mij lagen de bergtoppen in een zo goed als spierwitte nevel gehuld. Constant klonk het gekraak van vertrapte takken. Ik zag me omsingeld door schaduwen die gebogen langs de ontelbare bomen schoven. Ze bespiedden me, maar mijn instinct stelde me gerust: ze hadden geen kwade bedoelingen. Mijn ogen werden verblind door zonlicht dat als een pijl uit een boomschors schoot. Om aan de verblinding te ontsnappen deed ik een stap opzij. Toen zag ik dat de zon weerkaatste in een spiegel die op ooghoogte aan de boom was vastgemaakt. Ik ging op de spiegel af en toen ik dicht genoeg genaderd was om hem aan te raken veranderde hij in een op vergeeld papier geschreven boodschap. Hoewel de tekst in mijn moedertaal was geschreven, was hij onbegrijpelijk. Ik kende de betekenis van ieder woord, maar kon het geheel niet vatten en begon te huilen als een man die zonder besef de kaap van de totale wanhoop had overschreden. De nevel daalde de berg af en omsloot me als een deken. Het werd verschrikkelijk koud. Mijn hele lichaam werd drijfnat en hoewel ik geen drinker ben, begon ik als een echte dronkaard met een gekmakend ongeduld naar bier te verlangen. De nevel zakte verder naar de beneden, de zon stuurde gouden splinters tussen het overvloedige groen. Ik ontdekte een smal, bergafwaarts lopend pad en ging de gestaag dalende nevel achterna. De ogen van kleine wilde dieren priemden in mijn rug. Alleen hun angst voor mijn gestalte weerhield hen ervan me in de nek te springen, dood te bijten en te verscheuren. Ik kwam bij een open plek met twee lemen hutten. Voor de ingang van één van de hutten lag een grote, omgekantelde kruik. Een geit deed zich tegoed aan het gemorste water. Aangetrokken door een nieuwsgierigheid die sterker was dan mezelf stapte ik de hut binnen. Daar greep een krijger me bij de keel terwijl hij de punt van zijn speer in mijn maag plantte.
"Bent u klaar voor het aanschouwen van de toekomst?" vroeg hij met een griezelig nuchtere stem.
Ik keek hem onbegrijpend aan en durfde niet te bewegen. De speerpunt stond op het punt mijn hemd open te scheuren en mijn huid binnen te dringen. De krijger liet me los en joeg me, dreigend met de speer, de duisternis van de hut in. Ik viel in een ondiepe kuil, krabbelde overeind en zag in een door enorme fakkels verlichte grot hoe mensen van alle leeftijden vochten tegen hun vereenzaming. Ze probeerden op de meest uiteenlopende manieren contact met mekaar te krijgen. Succes was onbestaande. In de ogen van sommigen stond de bereidheid te lezen zich over te geven aan waanzin of perversiteit om toch maar enige resultaat te bekomen. En toen zag ik haar opnieuw: op een verhoog, tussen de verloren massa, zat de onbeschrijfelijke vrouw, nog eenzamer dan al de anderen samen. Hoewel ze niets van haar schoonheid had verloren, was haar gelaat getekend door een onherstelbare vermoeidheid en stond er een stalen hardheid in haar glanzende ogen gebrand. Ik kon alleen maar denken: "Natuurlijk, je kan een van nature goed mens niet blijven mishandelen.'
Het was overduidelijk dat geen hulp meer kon baten, voor niemand van de aanwezigen in de grot, en zeker niet voor de onbeschrijfelijke vrouw. Ze was te lang, veel te lang aan haar lot overgelaten geweest. Ja, natuurlijk had ze aanbidders gehad -meer dan waarschijnlijk was hun aantal zelfs ontelbaar-, maar die waren ofwel van kwade aard ofwel onbekwaam geweest, al moet ik er eerlijkheidshalve aan toe voegen zelf niet te weten hoe zo'n prachtig wezen in feite benaderd diende te worden.
De krijger hielp me terug uit de kuil en vroeg: "Genoeg gezien?" maar ik kon hem geen antwoord geven. Ik liep de hut uit en daalde verder de berg af, op zoek naar iets eetbaars en drank; mijn overdreven dorst was evenwel weggeëbd. Een kraampje langs een landweg van vuurrode aarde bood brood en frisdrank aan maar er was geen verkoper in de omtrek te bespeuren. Ik wachtte, floot een deuntje ter waarschuwing maar toen er na enige tijd nog steeds niemand kwam opdagen, bediende ik mezelf. Ik nam een homp brood en een flesje bier en stak een briefje van honderd in het roestige conserveblik dat dienst deed als kassa. Natuurlijk betaalde ik te veel, maar wat kon ik anders? Ik had niets anders op zak dan biljetten en de twee vreemde munten die in het blik lagen te glinsteren konden geen dienst doen als wisselgeld -ik kende hun afkomst niet eens, laat staan hun waarde.
Het brood smaakte muf, het biertje lauw. Voor zover ik nog honger en dorst had, waren deze met enkele happen en een paar slokken gestild en gelest. Maar nu voelde ik een heftige, eerder bij een ontluikende tienerjongen horende, wellust opkomen. Een diepe schaamte overviel me toen mijn gedachten bleven stilstaan bij het jonge meisje in de rokerige kroeg.
'Hoe zou het voelen om zo'n fris, jeugdig vlees te bezitten?' vroeg ik me af.
Schaamte en zelfverachting namen bezit van me; verzet tegen mijn fantasie, die per se het antwoord op de vraag wilde weten, deed me afglijden naar een ongekende laagheid. In mijn gedachten onderwierp ik het meisje aan ongeoorloofde daden en hoe sterker ik tegen de beelden in mijn hoofd vocht, hoe smeriger ze werden. Mijn hart wilde zich uit mijn lichaam rukken, mijn keel trok zich samen tot een droge pijp waar nog nauwelijks een zucht doorheen kon. Ik draaide om mijn as en zag een jonge vrouw voorovergebogen staan over een wasteil. Haar borsten dansten uitnodigend in de diepe uitsnijding van haar blouse terwijl ze water uit een opgerold kledingstuk perste. Ik stapte op haar toe, besefte niet dat haar bestaan zich alleen maar in mijn begerige verbeelding afspeelde en liep verloren een huis binnen waarvan de koude muren als ijswater op mijn koortsige lichaam neerkwamen. Daarna herinner ik me nog slechts een droom waarin de onbeschrijflijke vrouw wegwandelde van een blanke man die stierf van de honger omdat hij zich nog enkel kon voeden met de diep in de vrouw brandende liefde voor het leven…'
Ik bleef Boba Lobilo sprakeloos aankijken. Zijn verhaal was ten einde, maar ik voelde me danig onbevredigd en, daardoor, ook verschrikkelijk leeg. Hoewel de onfortuinlijke wijkverantwoordelijke niets te verwijten viel, keerde ik me ontgoocheld van hem af. Slepend als een hond zonder achterpoten trok mijn lichaam zich naar het voor mij bestemde bed. Met de grootste moeite slaagde het erin zich als een van mijn bewustzijn onafhankelijk wezen op te tillen en weer onder de stijve lakens te kruipen.

 

feedback van andere lezers

  • ivo
    ongeloofelijk mooi dit stuk .. in een ruk uitgelezen, meegetrokken door de draad van het verhaal ..
    koyaanisqatsi: waarvoor dank
  • aquaangel
    wat een lengte weer..........doorzagen man! LOL

    Het onweerstaanbare parfum kwam me achterna en het leedt geen twijfel (leedt? leed)

    'Hoe zou het voelen om zo'n fris, jeugdig vlees te bezitten?'

    kan het je nu niet meer vertellen POTdorie ;))

    xx
    koyaanisqatsi: slik...
  • RolandBergeys
    -wat er nog dagelijks met me gebeurt, t, geen d;

    het is een prachtig verhaal, Koya, zeer menselijk, zeer schrijnend, bijzondere beelden, knappe sfeer.
    koyaanisqatsi: dank Roland, hopelijk zinken de (schoonheids)fouten daarbij in het niet...
  • freke
    graag gelezen, mooi, maar spijtig van de diverse ongeregeldheden:

    'Kan je het geloven,' zei één van de mannen tegen de verpleegster, 'deze vrouw leefde samen met een gorilla.
    (een aanhalingsteken te kort)

    U zal dan ook wel begrijpen (u zult)

    'Ik heb niet gezegd dat u liegt,' antwoordde ze, 'maar u hebt duidelijk laten uitschijnen dat de speurders liegen.
    (een aanhalingsteken te kort.en zo zijn er nog)

    anders op dan het op een lopen te zetten,
    (overbodig lidwoord (te))

    mekaar => elkaar (minstens twee maal)

    om toch maar enige resultaat te bekomen. (enig)

    "Natuurlijk, je kan een van nature goed mens niet blijven mishandelen.' (kunt)

    Ze was te lang, veel te lang aan haar lot overgelaten. (geweest.) overbodig

    dorst was evenwel weggeëbd. (echter)

    het roestige conserve(n)blik dat dienst deed als kassa.

    groetjes, feéke

    koyaanisqatsi: mag je uitnodigen om als vaste "corrector" te werken? (Hugo Claus heeft het er naar het schijnt vier in dienst maar dat kan ik me niet veroorloven)

    thnks
Er zijn 10 bezoekers online, waarvan 1 lid: Pieter.