writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

WACHT MAAR, TOT GOD ONS HOORT (12 -einde)

door koyaanisqatsi

12. EPILOOG - HALLUCINANT VERSLAG VAN HOE EEN LAND AFGLIJDT NAAR EEN QUASI APOCALYPS, OFÖ

De Derde Afrikaanse Republiek moest eraan geloven. Sommigen noemden de oorzaak een uit de hand gelopen staatsgreep, anderen hadden het over een burgeroorlog, de buitenlandese media spraken over een onduidelijk gewapend conflict in een land dat als ťťn van de stabielste op het continent geboekstaafd stond.
De vermeende stabiliteit werd met een zodanig gemak weggeveegd dat men zich terecht de vraag mocht stellen of de term wel enig bestaansrecht had. Een handvol opstandige militairen, een resem opportunisten en een zootje gewapend ongeregeld volstonden om in de hoofdstad een zodanige graad van dood en vernieling te zaaien dat zo goed als vergeten etnische en godsdienstige tegenstellingen als gigantische etterbuilen openbarstten en zichzelf herschiepen in een puinhoop van niet meer te dichten kloven. Aangespoord door heerschappen die verborgen belangen dienden, spreidden de onlusten zich als een besmettelijke, levensgevaarlijke ziekte over de rest van het land uit.
Aanvankelijk weigerden velen zich tegen iets of iemand te keren maar de geweldspiraal kende geen genade voor de vredelievende aard van de meerderheid van de bevolking. Het volstond om ťťn waanzinnig iemand op een onschuldige te laten inhakken om een kettingreactie te veroorzaken die iedereen spoedig deed ondervinden dat onder een flinterdunne ziel van beschaving een razende wraakzucht huisde.
Eťn van de oostelijke provincies scheurde zich van het land af. Een plaatselijke politicus gooide het op een akkoordje met enkele legercommandanten en liet de vlag van de onafhankelijke Oostprovincie hijsen. Soldaten uit lagere echelons hadden algauw in de gaten dat de door hun superieuren georkestreerde muiterij hen weinig meer dan windeieren zou leggen en bouwden de pasgeboren staat in een mum van tijd om in een anarchie waar het recht van de sterkste als absolute en enige regel gold. De nieuwbakken president stond erbij, keek ernaar en stelde zich tevreden met het behoud van het symbolische karakter van zijn nog maar pas veroverde functie. Algauw kreeg hij de ruime bijnaam 'de man die gelooft dat stenen niet verplaatst kunnen worden, alleen andere mensen verouderen en gieren officiŽel in dienst zijn van de gemeente', terwijl niemand er een cent op durfde verwedden dat hij het langer dan een maand zou uitzingen.
Met de oorlog kwam voor velen de honger. Sukkelaars van het eerste uur probeerden hun schoenen te verkopen of te ruilen voor eten maar er was geen geld meer en het eten was op. Op een stort even buiten de hoofdstad werd als bij toeval het uitgemergelde, half door beesten opgevreten lijk van een blanke ontdekt. Niemand wist het, maar het betrof Stefan Oganesian. Meer dan ooit begonnen jonge meisjes hun borsten en billen te koop aan te bieden -de opkopers deden gouden zaken. Huurlingen kropen als ongedierte langs alle mogelijke wegen het land binnen en gaven de oorlogsgruwel een professionele tint. Iedereen begon tegen iedereen te vechten, het tij kantelde en keerde naar geen enkele richting. Hulporganisaties functioneerden als naar gewoonte in soortgelijke situaties: met een samensmelting van goede wil, misplaatste eerzucht, bureaucratisch en ander geknoei, oprechte menslievendheid, irritant paternalisme en dapper of blind idealisme. Oogsten werden geplunderd of vernield, al naargelang de verstandelijke bui waarin de misdadige verantwoordelijken verkeerden. Op willekeurige tijdstippen keerde her en der de rust weer om na enige tijd als een slapend kind te worden wakkergeschud door de brutaliteit van de gewetenloze vader die de oorlog was.
De Verspreiding van de Cosmopolitische Gedachte werd verzwolgen in een lawine van menselijke ellende. Heldendaden en smeerlapperijen stapelden zich op. Men had ofwel oeverloos geluk ofwel onooglijk veel pech, want het was zo goed als onmogelijk om in deze waanzin enig evenwicht te vinden.
Wij, de bewoners van het ziekenhuis, verging het niets beter dan de buitenwereld. Wie dringende nood had aan medicijnen kon het stilaan vergeten. De zo al beperkte voorraad werd door zogenaamde strijders in beslag genomen en nieuwe voorraden lieten dankzij ťťn of andere totaal misplaatste internationale boycot tot in een verre eeuwigheid op zich wachten. Mensen crepeerden, kinderen verrekten van de honger, hongerende baby's huilden hun moeders gek en mensen werden varkens; letterlijk en figuurlijk. En de wereld stond erbij en keek ernaar.
Dit laatste was niet helemaal waar. Eťn of ander natuurfonds stuurde een ploeg zoŲlogen de bergen in om de door het oorlogsgeweld bedreigde gorilla's te vangen en naar veiliger oorden over te brengen. Een andere organisatie liet zijn leden postvatten bij de hoofdzetel Verenigde Naties om luidkeels te protesteren tegen de onherstelbare schade die het regenwoud werd aangedaan.
En ondertussen gaf de oorlogmachine maar van jetje en viel de dag des oordeels het ziekenhuis binnen. Zogenaamde strijders met ziekelijke oorlogstrofeŽen aan hun gordels kwamen alles wat nog los- en vastzat meepikken. Sommige patiŽnten kregen een pak slaag, omdat ze niet de juiste taal spraken, de verkeerde godsdienst beleden, een ongepaste naam droegen of gewoon, omwille van het plezier dat de gelegenheidshelden eraan beleefden. Ze kregen steevast te horen dat ze blij mochten zijn niet te worden afgemaakt, maar wie daar niet kruiperig mee akkoord ging en weigerde op zijn blote knieŽn voor de geschonken genade te bedanken, mocht zich alsnog op een inderhaast bijeengeroepen vuurpeleton verheugen. Protesterende dokters werden met evenveel enthousiasme 'behandeld' en wat er met sommige verpleegsters gebeurde behoeft geen tekeningetje. Vrouwelijke patiŽnten die nog min of meer presentabel waren ondergingen vanzelfsprekend hetzelfde lot.
En wat gebeurde er met mij, Emil Klainenduvel; een door een bizarre speling van het lot tot kansarme, zwarte Afrikaan getransformeerde, gepriviligieerde bleekscheet-vertegenwoordiger (van het Magazine ter Bevordering van de Verspreiding van de Cosmopolitische Gedachte)?
Laten we eerlijk zijn: zonder de hypochonder te willen uithangen, het geluk had me sinds mijn aankomst in de Derde Afrikaanse Republiek niet bepaald toegelachen. Door omstandigheden abrupt uit mijn functie ontzet, was ik al spoedig in een naar Afrikaanse normen, uitermate zeldzaam sociaal isolement gesukkeld. Door een misverstand was ik onfatsoenlijk slaags geraakt met een vrouw en een spookachtige dwaaltocht ingetuimeld. Blinde roofzucht in combinatie met onvoorstelbare domheid had me een schrikbarende ervaring als gevangen primaat opgeleverd en als toemaatje de afrossing van mijn leven bezorgd.
Maar ik zei het al: in de heersende oorlogswaanzin kon je alleen maar onooglijk veel pech of oeverloos geluk hebben. En ditmaal -toegegeven: op een niet weinig cruciaal moment-, lachte dit laatste me met een stralende glimlach toe.
Tot de tanden bewapende snotneuzen, zotgemaakt door drugs en alcohol, kwamen op me af met de bedoeling me hardhandig uit bed te tillen. Tot mijn verbazing schrokken ze zich evenwel een beroerte. Krijsend en gillend begonnen ze als kippen zonder kop, in het wilde weg zwaaiend met bajonetten, geweren en machetes, rond mijn bed te dansen. Ik had de indruk dat sommigen me te lijf wilden gaan en aan mootjes hakken maar de griezelige, witte gloed in hun ogen verraadde een onverklaarbare doodsangst, alsof ze in de overtuiging leefden met een duivel te maken te hebben. Ik veronderstelde dat het gif in hun hersens hen parten speelde maar toen hun commandant op het kabaal afkwam, loste het raadsel zich op.
'Laat die blanke maar voor wat hij is!' brulde hij, 'want als je ťťn van hen een haartje krenkt, staat morgen de halve VN hier!'
De doodsbedreiging viel als een loden blok van me af. Ik stak mijn handen voor me uit en zag tien dunne, bleke vingers, die ik meende te herkennen uit een niet zo ver verleden. Een onbeschrijflijk, bijna ondraaglijk gevoel van opluchting beet zich een weg dwars door me heen. In al mijn naÔviteit had ik mijn metamorfose tot donkere Afrikaan tot even voordien alleen maar ervaren als een vervelend ongemak dat me een terugkeer naar Europa ontzegde. Maar nu, nu mijn lot zo opeens afhing van mijn huidskleur, maakte dit feit een verdomde wereld van verschil uit. Leven of dood, een kwestie van pigmentenÖ Stel je voor.
Ik keek de commandant in de ogen en las hoe het diepe verlangen me om zeep te helpen het moest afleggen tegen een gevaarlijk gezond verstand. Het ontzag voor hun superieur was zo groot dat de gedrogeerde snotapen als uiteengejaagde kinderen wegstoven om zich te 'ontfermen' over andere slachtoffers.
Ondertussen was iemand op het schitterende idee gekomen het ziekenhuis in de fik te steken. De geur van brandende benzine mengde zich algauw met een vieze stank terwijl iemand tussen het geknetter van de opdoemende vlammen riep: 'Steek hem in brand, want kogels kunnen hem niet deren.' Even later volgde er een gekrijs zo afgrijselijk dat het wel uren in plaats van de daadwerkelijke seconden leek te duren.
De brand sloop naderbij; de soldaten dropen af, de leut was op. Wat achterbleef was chaos en een beklagenswaardige verzameling van mishandelde, vernederde en in shock verkerende mensen. Een naakte verpleegster grabbelde met leeuwenmoed haar stukgerukte uniform bijeen, trok aan wat er nog van aan te trekken viel en begon voor zover mogelijk hulp te verlenen aan diegenen waar hulp nog niet voor te laat kwam. Een dokter waar op het eerste gezicht niks op aan te merken viel, strompelde haar achterna maar verloor zijn evenwicht en stuikte bewusteloos neer. Een oude man zat tegen een muurtje en kotste bloed. Een jonge kerel liep verdwaasd in het rond en zwaaide met het kadaver van een schurftige hond. Een onherkenbaar iemand zat ineengedoken bij een lijk en huilde zachtjes. Ik zweefde als een geest langs surrealistische taferelen van half verslonden weeskinderen. De pijn die mijn lichaam god weet hoe lang had gekweld, was volkomen verdwenen. De hemel vulde zich met een mengeling van zwarte rook en asgrauwe regenwolken. In de verte voerden geweerschoten en donderslagen een enerverende conversatie. Een jongen met schuim op de lippen viel me aan, ik sprong opzij, hij viel en bleef voor dood liggen. Ik zag een afgehakt hoofd op een speer gespiest in het rond dansen; een kerk ontplofte; een moskee brandde totaal af; de geur van stront schoot mijn neusgaten binnen en kroop naar mijn hersens. Meisjes in stukgerukte kleren schreeuwden dat ze beroofd waren van hun lichaam; een dikke man werd gelyncht door een waanzinnige meute van mannen en vrouwen van alle leeftijden. Onder gekrijs en gebrul werd de man tot moes geschopt en geslagen. Uit de ogen van de daders, die mekaar brutaal verdrongen om de ongelukkige aan stukken te scheuren, was iedere menselijkheid weggevloeid. Een bizar kreunende man bewerkte de rug van een op de grond liggende vrouw met een stukgeslagen fles; vreemd genoeg gaf de vrouw, die bij bewustzijn was, geen kik. Haar ogen staarden verdwaasd in de verte, op zoek naar een zinnige verklaring voor hetgeen haar overkwam. Een geitenhoedertje, een baasje van amper een jaar of tien, werd tegengehouden door deserterende soldaten. De militairen verkochten het knaapje een paar stevige oorvegen, smeten zijn geitjes in de laadbak van hun jeep en stoven weg. Dat ze het kind in leven lieten, leek me nauwelijks een troost. Een meisje in een bebloed schooluniform kwam recht op me afgelopen, scheurde haar blouse open en zei, terwijl ze met haar ogen naar haar borsten wees: 'Meneer, deze zijn van u, als u me meeneemt naar Amerika. Maar dan wel nu, meteen.'
Een verschrikkelijke opwinding stormde mijn lichaam binnen en werd door een brandende schaamte bij de keel gegrepen. Ik voelde kots in mijn keel opborrelen en vluchtte stikkend in mijn speeksel weg. De strontgeur bleef me als een gekmakende schaduw achtervolgen. Het drong tot me door dat ik mezelf had ondergescheten en aangevreten door een nieuwe, ditmaal door gekrenkte trots veroorzaakte schaamte, versnelde ik mijn pas. De aarde, de hemel, de huizen of het puin dat ervan overbleef, alles begon te dansen in een waas van tranen. Rook deed mijn ogen branden, verblind struikelde ik over het lijk van een oude, met een nekschot afgemaakte man. Ik rolde op mijn zij in een greppel en viel op een lichaam zonder hoofd. Opgejaagd door afgrijzen spurtte ik de horizon tegemoet. Algauw kregen de droogte en hitte me te pakken. Happend naar verse lucht werd ik een spartelende vis op het droge; mijn huid verschroeide, mijn keel voelde aan als een verdorde lap van ongelooid leer. Opwaaiend stof sneed in mijn oogbollen; mijn tanden kauwden knarsend op zandkorrels. Ik liep verder als een blinde terwijl mijn vermogen om gedachten te vormen langzaam maar zeker overging in een tijdelijke vorm van dementie.
Een slag van een geweerkolf bracht me terug op aarde. Ik zakte op mijn knieŽn, bloed spoot uit mijn gekloven wenkbrauw, mijn bovenkaak zwelde op tot de grootte van een tennisbal. Een boom van een vent in camouflagepak graaide me bij de kraag en sleurde me door een mengeling van slijk, bloed en uitwerpselen tot bij een tafel. Het sloeg nergens op, maar ik was de kerel dankbaar voor het terugwinnen van mijn gezichtsvermogen.
Aan de tafel waar deze gecamoufleerde held me losliet, zaten twee mannen bier te drinken. Eťn van hen zat in ontbloot bovenlijf, de andere droeg een geruiten hemd. Naast de tafel stond een vrouw met een uitdrukkingsloos gezicht chirurgisch materiaal te sorteren. Twee jongens werden door zwaarbewapende mannen tot bij de tafel gesleurd.
'Wat zal het zijn?' vroeg de man in het geruiten hemd, 'een korte mouw, een lange mouw of een Europees jasje?'
De jongens barsten in tranen uit.
'Alsjeblief, meneer, wij hebben niets misdaan. Wij zijn geen vechters, wij zijn schooljongens.'
De jongen die het had aangedurfd zijn mond open te trekken, kreeg enkele rake klappen te verwerken.
'Als je niet zelf kan kiezen, zullen wij het wel voor je doen,' lalde de man in bloot bovenlijf. Hij dronk van zijn fles bier en richtte zich vervolgens tot zijn compaan met de woorden: 'Korte mouw is goed, voor dat groot bakkes hier?'
De andere man knikte en dronk op zijn beurt van zijn fles. De jongen werd door zijn bewakers vastgegrepen en tot bij een stoel even verderop gebracht. De vrouw met het uitdrukkingsloze gezicht ging hen achterna.
'En wat dacht je van een Europees jasje, voor de andere klootzak?' stelde de man in bloot bovenlijf voor. 'Da's al even geleden.'
De andere man knikte opnieuw, de jongen werd schreeuwend en spartelend meegesleurd tot bij zijn vriend. Even later volgde de huiveringwekkend gekrijs, alsof er een varken werd geslacht. Het was niet om aan te horen. Ik wilde in de grond wegzinken, verdwijnen, oplossen in het niets, maar ik was te bang, te ontdaan, te verloren om zelfs maar een teken van leven te geven. Mijn adem stokte en in de hoop niet te worden opgemerkt zoog ik maar net voldoende lucht op om niet te stikken. Eťn van de jongens -ik kon niet uitmaken welke- werd hysterisch huilend weggedragen. Waar zijn rechterarm had gezeten, restte nu een vlezige bloedklomp vol botsplinters. Zijn geschreeuw werd plots overstemd door dat van de andere jongen, die even later als een vod op de grond werd gegooid. Hij bewoog niet meer en maakte geen geluid.
De man in het geruiten hemd liet een boer, zei: 'Zo,' en gebaarde met een hoofdknik dat ik afgevoerd kon worden.'Geef die brave blanke meneer een rondleiding door het dorp.'
De reus in het camoeflagepak gaf me een stevige trap in de maag en trok me als een jachttrofee achter zich mee. Ik werd een jeep ingegooid en langs een resem brandende huizen tot bij een klein marktplein gereden. Daar stonden enkele mannen met afgestroopte broek op twee naakte meisjes te pissen. Een jongeman waarvan de armen waren afgehakt lag kokhalzend leeg te bloeden; een zwangere vrouw kreeg te horen dat ze zijn voorbeeld zou volgen. Ze schreeuwde: 'Maak me dan dood! Hoe kan ik voor mijn kind zorgen, als jullie mijn armen afhakken! Maak me dan dood!'
Een man hing vastgespijkerd aan de deur van een hut. Zijn uitpuilende ogen keken loodrecht in de gewelddadige dood die zijn lot was geworden. Twee mannen, zo dronken dat ze nog nauwelijks op hun benen konden staan, speelden voetbal met een hoofd. Het was niet uit te maken of het hoofd een man of een vrouw had toebehoord. Ik kotste mijn hele lichaam naar buiten en tuimelde uit de jeep. De reus keek op me neer, schudde het hoofd en riep iets naar de varkens die op de meisjes pisten. Eťn van de varkens brulde iets terug met een kracht van samengebalde razernij en schopte een meisje zo brutaal in de maag dat ze wel een meter vooruit vloog. Toen sloeg er in de heuvels een granaat in. De jeep schoot in beweging, de varkens slingerden onverstaanbare woorden naar mekaar en trokken met een belachelijke haast hun broek op. Een nieuwe granaatinslag versplinterde een houten schuurtje. De varkens sprongen in de jeep en joegen de chauffeur als gekgeworden beesten op om plankgas te geven; de misbruikte meisje kropen ineen en verdwenen voor heel even in een wolk van geel stof, de dronkelappen waggelden protesterend een huis binnen. Een oorverdovende explosie blies de jeep de lucht in. Al te voorbarig juichte ik in mijn binnenste dat er toch zo iets als gerechtigheid bestond want de varkens kwamen er met enkele schrammen en builen vanaf en zetten het, gedreven door uitzinnige woede en paniek op een lopen. Eťn van hen begon in het wilde weg zijn machinegeweer leeg te schieten. De kogelregen klonk als wild tromgeroffel. Een wegvluchtende vrouw werd middenin haar borst getroffen; het leek alsof haar hele romp met een doffe hamerslag uiteenspatte. De ene granaatinslag volgde nu op de andere. Huizen en hutten vlogen aan puin, stof en zand spoten omhoog, drie vingers vlogen tuimelend langs mijn hoofd, een glassplinter sneed de bloeduitstorting van mijn bovenkaak open. Een dikke bloedsliert sijpelde langs mijn mondhoek. Ik liep zonder het te beseffen naar nergens en zocht daar waar mogelijk beschutting langs muren en schuttingen.
Een man bungelde ondersteboven aan een boom; zijn onderlichaam was gestroopt; zijn genitaliŽn afgesneden. Een dode vrouw lag bovenop een hoop steengruis; ze staarde me aan met een gruwelijke, beschuldigende blik.Een meisje van wie de borsten waren afgesneden rolde onverdraaglijk brullend door haar eigen bloed; een jongen van een jaar of vijftien hakte met een bijl in op de verbrijzelde schedel van een dode soldaat; een oude, gebrekkige man was bezig het verminkte lijk van een leeftijdgenoot uit te kleden. Verkoolde en verminkte lichamen lagen kromgetrokken in absurde houdingen langs de weg. Een ziekmakende stank sneed mijn adem af. Het geluid van beesten die lijken openscheurden kwam van alle kanten op me af. Geesten van vermoorde mensen wandelden op lichte draf doorheen een wolk van opwaaiende rode aarde, op zoek naar een verborgen rust die hen kon verlossen van de trauma's die ze vlak voor het einde van hun leven hadden opgelopen. Een schaduw slaakte vanop een zwarteblakerde heuvel door angst, woede en haat gevoede, vijandige kreten. Een groepje kinderen kwam sissend als slangen langs me heen gelopen. Ze hadden hun kleine, ronde gezichten ingewreven met witte en grijze as en staken met een sadistische trots hun in bloed gedrenkte handen in de lucht. Ze keken me aan met ogen doordrongen van een tegennatuurlijke, vroegtijdige volwassenheid en spraken op dreigende toon onverstaanbare woorden. Ik hoorde een vrachtwagen naderen en kroop, louter instinctief, weg achter een boom. Ik trapte op een niet te definiŽren stuk vlees, kotste mijn laatste speeksel uit, zeeg neer en kwam oog in oog te zitten met een grijsaard die zich ogenschijnlijk onverstoord op een stoel had geÔnstalleerd.
De vrachtwagen reed aan hoge snelheid voorbij en vermorzelde een lijk. Ergens achter een huis klonken de pijnkreten van een bevallende vrouw. Uit de blik van de grijsaard viel op te maken dat hij verwachtte dat ik zou gaan praten maar daar was ik niet toe in staat. Wat hadden woorden in een wereld als deze nog te betekenen? Wat voor nut had mijn spraakvermogen? Wat restte een mens nog in een leven waarin iedereen had opgehouden mens te zijn? De verschrikking brandde zich als gloeiend ijzer vast op mijn netvlies, het kon hoogstens een kwestie van dagen zijn voor ik gek zou worden.
Er viel een onvoorstelbaar welkome en tegelijkertijd absurde stilte. De ogen van de grijsaard keken dwars door alles heen, naar het ingebeelde middelpunt van een onbereikbare verte. Stilzwijgend werden ontelbare zandkorrels door een opstekende warme bries opgetild. Het silhouet van een vogel zweefde als een zwarte vlek doorheen een hemel die zelfs geen wolk meer kon verdragen.
Het gehuil van een pasgeboren baby doorbrak de stilte als een barstende kruik. De grijsaard wreef zijn lippen over elkaar, gaf een hoofknik en zei:

ÖWACHT MAAR, TOT GOD ONS HOORTÖ

Ik had er geen flauw benul van wat hij bedoelde.


EINDE



 

feedback van andere lezers

  • ivo
    prachtig verhaal en adembenemend ook nu weer
    Bedankt voor het mooie verhaal

    Als je zin hebt lees eens thresiastad als je wil ..


    koyaanisqatsi: ga ik beslist doen Ivo, en bedankt voor de beoordeling
  • aquaangel
    Bijzonder aangrijpend erg goed verhaal.

    kus aqua


    de buitenlandese media
    (de buitenlandse media)

    Oostprovincie
    (Oost-provincie)

    verouderen en gieren officiŽel
    (verouderen en gieren officieel )

    Cosmopolitische
    (Kosmopolitische)

    wakkergeschud
    (wakkergeschut )

    oorlogstrofeŽen
    (oorlogstrofeeŽn)

    vuurpeleton
    (vuurpeloton)

    er met sommige verpleegsters gebeurde behoeft geen tekeningetje
    ( zou tekening schrijven ipv tekeningetje)

    gepriviligieerde
    (geprivilegieerde)

    bleekscheet-vertegenwoordiger
    (bleekscheetvertegenwoordiger)

    gespiest
    (gespietst)

    mijn bovenkaak zwelde op
    (mijn bovenkaak zwol op )

    geruiten hemd
    (geruite hemd)

    compaan
    (Kompaan)

    camoeflagepak
    (camouflagepak)

    chauffeur als gekgeworden beesten
    (gek geworden)

    blik.Een meisje
    (blik. Een meisje)

    Een schaduw slaakte vanop een zwarteblakerde heuvel
    (vanop?)
    (zwartgeblakerde)

    hoofknik
    (hoofdknik)


    koyaanisqatsi: ja, ik heb een "corrector" nodig, ik overlees en overlees maar zelfcontrole valt me slecht...

    thnks
  • feniks
    Eh ... als een buffelstoot recht in je maag ... en hoe kan je dan nog op schrijf of taalfouten letten ...

    'wakkergeschud' is toch wel correct. 'gespiest' ook. Is het geen 'geruit' hemd?

    Knap verteld, hoewel de inhoud gruwelijk is.
    koyaanisqatsi: de inhoud is gebaseerd op getuigenissen en helaas maar een topje van een afgrijselijkse ijsberg...

    thnks
  • RolandBergeys
    Leuke fb van Aqua. Ook: geweldspiraal: spiraal van geweld, neen?

    Nu, hoe langer je verhaal is, hoe vlugger of hoe meer je over tik-en stijlfoutjes kijkt, het is menselijk. Het doet niks af aan de inhoud ervan, het is spannend en boeiend, gruwelijk ja, maar realistisch verhaald, het gegeven bracht dat mee.

    Knap, Koya!


    koyaanisqatsi: thnks Roland
Er zijn 3 bezoekers online, waarvan 0 leden: .