writehi(s)story Passie voor schrijven
home   wat is writehi(s)story?   bladeren   uitgeven   gezamenlijke publicaties   boekenwinkel   manuscriptanalyse   inschrijven   contact   
top 10   wedstrijden   forum   hulp   
 
naam:  
pass:  


wachtwoord vergeten?
 
 

Volg ons op facebook

Ga naar chat

< terug

Betere leesbaarheid

Het Verval (32 & 33)

door koyaanisqatsi

32

Ik zoek geen klaarheid, mijn intentie reikt niet verder dan verder leven in cirkels, zoals zoölogen het leven van dieren definiëren.
De vrouw trekt de deur langzaam open. Ik heb me schromelijk vergist, ze is helemaal niet de vertegenwoordigster van Anzac; in feite lijkt ze er niet eens op.
Zwijgend laat ze me binnen, loopt voor me uit naar de salon en gaat zitten in een hoek van een fauteuil waarover een crèmekleurig laken is gespreid. Op het salontafeltje ligt een opengescheurd pakje chips, op de televisie wordt één of andere kwis voor simpelen van geest afgewerkt.
De vrouw slaat haar linker been over haar rechter, waardoor haar kamerjas openvalt en een kronkelende spatader op haar linker kuit zichtbaar wordt.
'Waar was u gebleven, de vorige keer?' vraag ik, terwijl ik me zonder toestemming in de andere hoek van de fauteuil neer vlei.
'Ik nam een bad, maar jij kon blijkbaar niet wachten...' antwoordt ze, haar ogen op de kwis gefixeerd.
'Het spijt me,' lieg ik, 'maar ik voelde me hier niet thuis.'
'Dat ben je ook niet.'
'In feite... Kan u me misschien vertellen hoe ik bij u verzeild was geraakt?'
De vrouw verplaatst haar ogen van het teeveescherm naar mij. Er huist een huilende eenzaamheid in haar ogen, het soort eenzaamheid dat mensen aanspoort met eender wie in bed te duiken, als dat het gevoel van isolement maar kan doorbreken. Heel even vraag ik me af of ik ook geen slachtoffer van deze tragedie ben, maar mijn duivel roept me al gauw tot de orde: mijn eenzaamheid is de bewuste keuze van een individu dat nog langer weigert enige verantwoordelijkheid te dragen, wat in feite op het tegenstelde van de verlangens van iemand als deze vrouw neerkomt.
'Nee,' klinkt haar antwoord resoluut.
'En de andere man, wie was dat?'
De vrouw haalt haar schouders op en richt haar ogen snel terug op het teeveescherm, alsof ze een door mijn vraag wakker gemaakte schaamte probeert te verdringen.
'Als het u een troost mag wezen,' mompelt ze, 'mij overkomt het wel vaker.'
Ik geloof haar, zonder meer, besluit dat ik niets meer bij haar te zoeken heb en sta recht. Ik reken niet op een verzoek te blijven -dat er ook niet komt-, begeef me naar de deur, verwacht in een plotse ingeving nog gauw een opmerking over mijn hanekam, maar de vrouw oordeelt terecht dat de kwis boeiender is dan Theo Saterman en dus verdwijn ik in stilte..



33

De trambestuurder snapt er niks meer van. Voor de derde keer heb ik een kaartje gekocht, voor derde keer zet ik me neer om van de ene eindhalte naar de andere te reizen. Zou hij vermoeden dat ik als een roofdier geduldig op mijn prooi wacht; op die ene persoon die als speelbal voor mijn vulgaire sexspelletjes kan dienen? Het zaakje vertrouwen doet hij in alle geval niet. Om de haverklap kijkt hij in zijn achteruitkijkspiegel, tenminste zolang de tram aan de eindhalte staat. Buiten is de duisternis ingetreden en bereikt de slaperige sfeer van een doordeweekse zondag langzaam maar zeker zijn hoogtepunt. De meeste reizigers keren terug van bezoek aan familie of vrienden en mijn geschifte uiterlijk verstoort de gezelligheid van de afgelopen dag die als een rustgevende herinnering in hun hoofden rondwaart. De blikken vallen in herhaling: onbegrip, weerzin, onzekerheid, angst; alles behalve nieuwsgierigheid, nochtans de eigenschap bij uitstek om al die ongemakkelijke gevoelens het hoofd te bieden.
Terwijl de tram aan zijn zoveelste ronde begint staar ik dromerig naar buiten. Huizen, voertuigen, mensen en lichten glijden als spookbeelden over mijn netvlies. Ik begin te fantaseren over het stichten van een eigen rijk, ergens midden in een tropisch oerwoud, waar ik als een genadeloos despoot regeer over een klein volk van slaven. De vrouwen die ik zwanger maak worden verplicht naakt rond te lopen om de gevolgen mijn fenomenale potentie te demonstreren, de lijfeigenen die ik eigenhandig als straf voor zelfs de kleinste misstap heb gefolterd, ondergaan hetzelfde lot om mijn meedogenloze aard in alle hoofden te prenten. Ik steun op een beperkt leger van geprivilegieerde onderkruipers, die ik zo goed als onbeperkt hun gangen laat gaan, waardoor er een terreurbewind ontstaat dat zich probleemloos op gelijke voet kan stellen met de vreselijkste dictaturen uit de gekende geschiedenis. Het spreekt vanzelf dat er vroeg of laat een eind aan deze verschrikking zal komen, dat mijn volk zal opstaan om zich tegen mij te keren en dat mij een alles behalve zachtzinnige dood te wachten staat; maar ondertussen bevredig ik mijn grenzeloze nieuwsgierigheid naar de resultaten van het misbruiken mijn almacht en bedenk ik iedere dag nieuwe maatregelen en verdorvenheden om mijn lugubere reputatie tot demonische proporties aan te zwengelen.
Een tik tegen mijn schouder schudt me uit mijn droom. Twee agenten kijken op me neer, de tram staat stil, spanning vult het voertuig als een geurloos gas.
'Meneer, wat doet u op deze tram?'
Ik kijk de agent stomverbaasd aan; hij ziet er nog tamelijk jong uit maar spreekt op de rustige, zelfverzekerde toon van een wijkagent met vele jaren dienst.
'Rijden...' antwoord ik.
'Volgens meneer daar is het al derde keer dat u deze rit maakt...'
De agent wijst naar de trambestuurder die, zich gesteund voelend door de arm der wet, een nijdige blik op me gericht houdt.
'Dat klopt,' zeg ik, 'en voor zo ver ik weet is er geen enkele wet die me dat verbiedt.'
'Nee, daar hebt u volkomen gelijk in. Maar normaal is het ook niet.'
'Zie ik er dan normaal uit?' vraag ik lachend.
De agent kijkt naar zijn collega, die zo klein van gestalte is dat ik me afvraag of er dan geen lengtenormen zijn om tot het politiekorps te worden toegelaten.
Natuurlijk vinden die twee altijd wel een stok om mee te slaan en dus bereid ik me al voor om van de tram te worden gehaald. Maar de eerste agent stapt naar de trambestuurder, mompelt iets dat duidelijk niet in goede aarde valt en komt terug.
'Luister, meneer, we gaan uw persoonsbeschrijving naar alle patrouilles doorseinen. U kan zich dus maar beter gedeisd houden, al denk ik niet dat mijn waarschuwing echt hoeft.'
Ik knik instemmend, waarna de agenten de tram verlaten. De bestuurder laat nog even zijn nijd op me inwerken en brengt dan zijn gevaarte opnieuw in beweging. De stilte is nog alomtegenwoordig maar zal wel stilaan wegebben. Ik kijk opnieuw door het raam en laat de buitenwereld opnieuw als een sprookje voorbij glijden terwijl ik tevergeefs probeer terug te keren naar mijn zelfgebouwde rijk van verderf.

 

feedback van andere lezers

  • muis
    Een knap geschreven stuk, en rustig. Een tikkeltje spannend in die tram:)
    groetjes
    koyaanisqatsi: merci Muisken
  • aquaangel
    deel 33 is lang zat voor 1 inzending maar goed je kent me :0
    ik lees je toch wel...

    speelbal...? succes... let it roll


    koyaanisqatsi: and rock?
  • SabineLuypaert
    die huilerige blikzin springt er uit zenne:o ga ik eens op letten (smile), heel graag gelezen weer, benieuwd of er een staartje komt aan het argeloze rijgedrag van prooitje hahah
    koyaanisqatsi: h?h?...
Er zijn 4 bezoekers online, waarvan 0 leden: .